Preek gehouden op: 15-01-2012 door Ds H. van den Berg
Maak een PDF van deze preek.
Filippenzen 1 : 3 – 6
Lezen: Handelingen 16 : 11 – 40
Tekst: Filippenzen 1 : 3 – 6
Zingen: Psalm 113 : 1
Psalm 119 : 40 en 53 (na de lezing)
Gezang 141 : 1, 2 en 3(na de preek)
Gezang 179b(belijdenis)
Psalm 138 : 1 en 4 (na de collecte)
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Er zit een man in de gevangencel. Een kaal vertrek, een bed, misschien een stoel; achter een dikke deur, stevig in het slot, voor een klein raampje zitten tralies. Zo ongeveer zal het zijn geweest. De man kan geen kant op. Alleen als de gevangenbewaarder hem laat luchten, kan hij een frisse neus halen. Maar verder zit hij steeds binnen, zijn wereldje is klein. Wat valt er te beleven, in zo´n saaie cel? Zitten er nog meer gevangenen? Hebben ze ruzie, wordt er gevloekt? Zijn er boeken om te lezen? Of kun je alleen maar wat voor je uitsta-ren? Wat doet die man daar de hele dag? En: waarom zit die man daar? Wat heeft hij uitgespookt? Hoe heet hij eigenlijk? Zijn naam is Paulus. Hij zit in de gevangenis, omdat hij in de Here Jezus gelooft, en over Hem vertelt (zie maar 1 : 13). Maar hij heeft niet een klein wereldje. Met zijn gedachten is hij geregeld buiten de muren. Hij denkt aan mensen die kilometers ver bij hem vandaan wonen en leven. Hij gaat elke dag op bezoek, hij praat dan met de Here Jezus, die in de hemel is. Misschien hoeft Paulus daarvoor niet eens buiten de cel te zijn…want zou Jezus niet bij Hem zijn, daarbinnen? Dan hoeft Paulus niet boven het plafond uit te praten, hij hoeft ook niet hard te roepen tot de Here. Want de Here is dichtbij. Maar misschien gaat Paulus toch wel in zijn gedachten omhoog, ver omhoog tot voor Gods troon. Natuurlijk bidt Paulus. Hij heeft het vast heel slecht, in zo´n gevangencel. Hij is in elk geval niet vrij om te gaan waar hij wil. Hij kan niet naar de markt om de mensen te spreken over de Here Jezus. Genoeg reden om te klagen: Here, kijk nou eens. Heb ik U zo trouw gediend. En waar ben ik nu? Achter slot en grendel. Ik ben er verdrietig van! Dat heb ik toch niet verdiend? Wilt u me bevrijden alstublief? Dan kan ik de zon weer zien schijnen, lekker aan mijn werk, en met mensen praten over de blijde boodschap! Geef me weer blijdschap Heer! Paulus heeft heel wat te bidden tot de HERE. Maar heel andere dingen, dan wij denken. Luister maar.
De apostel dankt God voor de gemeente van Filippi
1. Hij dankt in alle trouw
2. Hij dankt vol blijdschap
3. Hij dankt in vertrouwen
Paulus dankt. En denkt niet aan zichzelf, zijn vrijheid. Zijn gezondheid…hoe kom ik de nieuwe dag weer door, de dagen zijn zo saai in de gevangenis, ik weet niet of het maandag is of zaterdag, de dagen lijken zo grauw. Nee, Paulus heeft goede tijdvulling. Hij smeekt de Here. Op zo’n manier dat het smeekgebed een danken wordt. Danken in de gevangenis. Hadden we dat gedacht? Als je opgesloten zit, dan heb je toch wel wat anders aan je hoofd. Heb je dan wel ruimte tussen je oren om te danken? Misschien zijn de handen wel geboeid, en kan Paulus ze niet eens bij elkaar krijgen, de vingers door elkaar strengen en ze vouwen om te bidden. Wat is dit? En hij doet het –als ik de tekst goed lees- heel geregeld. Ik dank mijn God altijd wanneer ik aan u denk, telkens wanneer ik voor u allen bid. Nou zal er iemand in de kerk zitten, die zegt: nou ja, dat ‘altijd’ dat hoeft niet persé elke dag te zijn, dat kan ook één keer per week zijn, of eens per maand. Misschien denkt de apostel niet zo heel vaak aan de gemeente. Ja, dat zou zomaar kunnen. Maar zullen we gewoon het royale van de tekst laten staan en daar niet op beknibbelen? Altijd als hij aan de ge-meente van Filippi denkt…en dan vergeet hij er ook niet één, alle gemeenteleden worden in het gebed genoemd. Daar zit iets overvloedigs in! Dit spreekt van grote trouw, zoals Daniël elke dag drie keer bad, met het gezicht naar Jeruzalem. Reken maar dat Paulus dagelijks bidt! Hij gebruikt zijn tijd goed, beter dan heel veel mensen buiten de gevangenis. Gevangenistijd wordt bij hem quality-time. Wat een pastor, wat een geestelijk leider is deze man. Zelfs nu hij in de sores zit, is hij nog met de gemeente bezig, met zijn broeders en zusters. Voor allen bidt hij. Hij maakt geen onderscheid, slaat niet bepaalde broeders en zusters over die hem niet zo sympathiek zijn. Hij bidt niet alleen voor de zieken om de gezonden te vergeten. Ze worden allemaal door hem aan de HERE opgedragen. Want ze hebben allen Gods hulp nodig. Maar vooral: Hij dánkt. Wij zeggen nog wel eens tegen elkaar: “ik zal voor je bídden hoor”. Ik zal vragen of God je wil helpen. Maar dánken voor de ander. Doe jij dat wel eens? Danken we wel eens voor iets moois dat je merkt bij een broeder of zuster. En zég je dat dan ook tegen hem? Je stuurt een sms naar je broeder: “Gaaf man, zoals jij aan die vergadering leiding hebt gegeven gisteravond. Ik heb er God voor gedankt”. Of tegen een zuster direkt na de bijbelstudie: “Ik heb ervan genoten, wat jij zei over dat bijbelgedeelte, ik ben dat stuk nu ineens anders gaan lezen en ik begrijp het beter. Ik ga vanavond de HERE daarvoor danken, je hebt veel voor me betekend, ik voel me rijk met jouw wijsheid”. Heb je het zo wel eens geprobeerd? Wat denk je: zou dit invloed hebben op je relatie met die broeder of zuster? Wat zou er veranderen? Vooral als je voor állen kunt danken…niet alleen voor de mensen die je sympatiek zijn, maar ook de broeder die je niet zo ligt. Dánken voor de ander, en dat laten weten… danken voor de gemeente als geheel, dat verandert misschien die ander, maar ook jou. Het doet de gemeente goed. Verderop in de brief lees ik: “Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dánk Hem in al uw gebeden (4 : 6).
Paulus dankt. Dankwoorden in de cel. Niet dat er niks aan de hand is in Filippi. Het is niet allemaal koek en ei. Daar hebben we al iets over gehoord. In de preken over hoofdstuk 2. Het is nodig dat de gemeente eensgezindheid leert, één-zijn in liefde en geest. Daar mankeert nog wel wat aan, de houding van de Filippenzen kan beter. Maar eerst is er dank. Dat kan dus. Danken voor de gemeente, ook al is er wel eens wat. Er kan heel veel aan de hand zijn . Je kunt behoorlijk teleurgesteld zijn in de gemeente. Paulus laat zien hoe je dat heel goed op kunt pakken: danken! Hij moet een paar vrouwen tot de orde roepen (Euodia en Syntyche). Nee het was niet altijd prettig en veilig in de gemeente…toch: Paulus begint met danken. Kunnen we hier wat van leren? Laat eerst je dank laat zien. Ook al heb je wel eens moeite. Bij Paulus gaat de dank voorop. Niet zuinig en afgeknepen...”als het dan persé moet wil ik nog wel even iets goeds zeggen”…maar het is niet van harte…nee, altijd als Paulus aan de gemeente denkt…dankt hij! Over wie het ook gaat: hij dankt. Zou jij voor iedereen die je op dit moment in de kerk ziet zitten de HERE kunnen danken? Denk je dat het voor Paulus makkelijk was? Toch is de man er zo trouw in! Zelfs in de gevangenis laat hij niemand van de gemeente los. Iedereen draagt Hij op aan de zorg van God. Wat een mooi begin van deze brief!
Dat doe ik vol vreugde! Het is de eerste keer dat je dit woord leest. Vreugde, blijdschap, blij zijn…het zijn woorden die je veel tegen komt in dit korte briefje. Wel een keer of 15 in vier hoofd-stukken. Iemand heeft deze brief een ‘wegwijzer naar vreugde’ genoemd. Zit je hart vol verdriet? Je zou dit briefje eens kunnen lezen. In z’n geheel. Dan merk je de blijde toon, die deze gevangene weet te treffen. Het kan je bemoedi-gen. Als het je afschrikt…omdat je denkt: dit is te hoog gegre-pen, zo zit het leven voor mijn gevoel niet in elkaar, bidt dan de Geest, dat Hij jou dit briefje in je hart legt, en de blijdschap leert genieten. We nemen vanmiddag alvast mee: Paulus dankt vol blijdschap. Dat is verbazend. Blijdschap vanachter de tralies. Wat heeft hij om zich blij over te maken? Het is “omdat u vanaf de eerste dag tot nu toe hebt bijgedragen aan de ver-spreiding van het evangelie”. Er wordt ook wel anders vertaald: Paulus is dankbaar omdat de Filippenzen het evangelie hebben aangenomen (vroegere vertaling). Het is niet zo’n groot verschil. Wie het evangelie wil verbreiden, moet het eerst zelf hebben aangenomen. Dat is gebeurd. Paulus herinnert aan het verleden. Zo’n tien jaar geleden kwamen de eerste mensen tot geloof in Filippi. Lydia de purperverkoopster kwam al op de eerste zaterdag dat Paulus daar was tot bekering. Zij bood direkt de zendelingen logies aan. Terwijl Paulus daar verbleef, werd hij in de stad gevolgd door een waarzegster. Zij stond onder invloed van een boze geest. De vrouw bleef onophou-delijk roepen: “Deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God en verkondigen u hoe u gered kunt worden”. Dit duurde een paar dagen en toen kreeg Paulus er genoeg van. Hij kon het niet meer verdragen, keerde zich om en zei: “Ik beveel je in de naam van Jezus Christus: verlaat haar”. De geest ging uit haar weg. De vrouw was een slavin van een paar mannen, die woedend waren. Deze vrouw bracht als profetes nogal wat geld in het laatje. Ze brengen Paulus en Silas aan bij de plaatselijke overheid. Die gaat door de knieën en geeft opdracht om de beide mannen te geselen en in de gevangenis te zetten. We weten hoe het verder ging: de gevangenbewaarder komt op wonderlijke manier tot geloof. Zomaar drie mensen van wie iets wonderlijks te vertellen is. Sensationeel! Hoe het evangelie in hun leven vaste voet aan de wal had gekregen. Daar denkt de apostel vast aan, als hij zegt: vanaf de eerste dag hebt u deel aan de verbreiding van het evangelie. Ze hebben het ontvang-en, en stralen het nu uit. Maar Paulus noemt ze niet met zoveel woorden. Vreemd eigenlijk. Je mag toch verwachten dat de apostel dáár nog eens extra aan herinnert. “Weten jullie het nog, dat van Lydia, de waarzegster en de gevangenbe-waarder”. Maar nee, deze gebeurtenissen waren heel apart…daarom hebben ze de Bijbel gehaald, maar ze zijn eigenlijk niet meer bijzonder en apart dan wat er daarna en tot nu toe is gebeurd. Paulus zet ze op één lijn. De eerste bekeringen maken hem blij, maar al die broeders en zusters die daarna hun hart aan Christus gaven…maken hem nét zo blij. Paulus wordt niet alleen blij door enkele sensationele bekeringen, maar is blij met ieder die zich overgeeft in geloof. Een ongelovige bekeert zich tot Christus en komt bij de kerk: het is feest. Maar de catechisant die belijdenis van zijn geloof aflegt maakt…het is nét zo’n wonder, maakt je ook blij. Er is hier in Berkel en Rodenrijs veel om blij over te zijn. Om je heen zitten broeders en zusters, die deelhebben aan het evangelie. Die ook meewerken aan de verbreiding ervan, in bijv. de alphacursus, via gebed voor evangelisatie, financiële steun aan de MAR… allemaal mensen bij wie een wonder is gebeurd. Moet je eens kijken wat er allemaal aan talent is, dat kan worden ingeschakeld. Ouders die het evangelie uitdragen aan hun kinderen, juffen en meesters op school, die ermee bezig zijn, mentoren bij geloof.nu. Zusters van de psycho- pastorale hulpverlening die broeders en zusters in de moeite helpen, om ruimte te houden/krijgen voor de troost van het evangelie. Broeders en zusters die elkaar opbeuren met Gods beloften. Allemaal hebben ze deel aan het evangelie, en ze dragen bij aan de verbreiding ervan. We geven het elkaar door in bijbelclubs en -kringen. Paulus zou vast zeggen: ik dánk mijn God vol blijdschap!
Zet Paulus de Filippenzen een veer op de hoed? Dankt hij omdat het zulke geweldige mensen zijn? Het geheim van Paulus’ dank komt in vers 6 open te liggen. Ik ben ervan overtuigd die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voltooien op de dag van Christus Jezus. De naam van Hem die dit doet, wordt niet genoemd. Het is wel duidelijk. Die ‘hij’ is God. Hij is de enige die kan voltooien op de dag van Christus Jezus, de jongste dag. Je hoeft niet altijd de naam van God er expres bij te halen. Je bent niet persé extra vroom als je zijn naam vaak noemt. Paulus geeft hier een voorbeeld hoe we zijn heilige naam zorgvuldig gebruiken.
God is dus aan het werk in die gemeente van Filippi. De gemeente blijft niet overeind door wat mensen doen. Dat komt van Bóven! Kijk zo naar de gemeente. Er is veel menselijks. Met alle verdriet en tekorten ervan. Maar Paulus opent ons de ogen voor iets moois. Dat er een gemeente is, komt van Hem die een goed werk in u begonnen is. Een goed werk, dat is: het geloof in uw hart. Gelukkig, het hangt niet van mensen af, dan was er geen kerk meer geweest. Je zou geen vertrouwen hebben voor de toekomst. Paulus heeft dat vertrouwen wel. Want Hij, die het goede werk in u begonnen is, zal het voltooien op de dag van Christus Jezus. Híj houdt vol, de HERE! De Dordtse Leerregels hoofdstuk V gaat over de volharding der heiligen. Er zou evengoed boven kunnen staan: volharding van God! Hij houdt het vol, met ons. Wie God heeft…heeft de toekomst. Zou er geen kerkverlating zijn geweest in Filippi, geen afkondigingen van onttrekking? We weten het niet. Wel lijkt het erop dat de kerk daar later verdwenen is. Dit woord van Paulus dwingt niet tot de conclusie: eens gelovig is altijd gelovig. Het dringt wél tot gebed: HERE, verlaat niet wat uw hand begon. Dat geldt voor wie in de kerk zit… Hij zal ons trouw moeten maken, doorzetters in het geloof, die niet afhaken. Paulus’ woord leert bidden voor wie afscheid namen en zich aan God en kerk niets meer gelegen laten liggen. De HERE heeft in hen gewerkt. Hij kan terugbrengen. Paulus vertrouwt op Hém, die alles zal voltooien op de dag van Christus Jezus. Dat laat hem danken. In diep vertrouwen. Hij weet van wie het moet komen. Hij leert ons danken. Overtuigd. De kerk is Gods werk. Hij rond af wat in de gemeente gebeurt, en stelt het ten toon op de dag van Christus Jezus. Stukwerk, een bescheiden bijdrage, het stelt niet veel voor wat jij doet – denk je – Hij kan er wat mee…jouw kleine bijdrage komt van Hém, met al dat kleine van anderen…Hij maakt er wie weet wat voor moois van…het komt eruit op de dag van Christus Jezus. Dus kan ik danken voor de kleine dingen die ik zie. Bij mezelf en bij anderen. Danken als Paulus. Vol vertrouwen! Amen.